春
Haru
De dageraad, de bloesems, het vertrek.
- 286 春はあけぼの In de lente is het de dageraad.
- 215 行く春や鳥啼き魚の目は泪 De lente vertrekt — vogels schreeuwen, er staan tranen in het oog van de vissen.
- 220 雪とけて村いっぱいの子どもかな De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
- 214 梅が香にのつと日の出る山路かな Geur van pruimenbloesem — en plots rijst de zon boven het bergpad.
- 101 月に叢雲、花に風 Over de maan de wolken, over de bloesems de wind.
- 111 花は盛りに、月は隈なきをのみ見るものかは Moet je de bloesems alleen in volle bloei bekijken, de maan alleen zonder wolk?
- 291 花の色は移りにけりないたづらに我が身世にふるながめせしまに De kleur van de bloesems is vergaan, terwijl ik de lange regens zag vallen — en mijn leven voorbijgaan.
- 175 花七日 Bloesems duren zeven dagen.
- 167 春の海ひねもすのたりのたりかな Lentezee — heel de dag deint ze, deint ze zachtjes.
- 228 不二ひとつうづみ残して若葉かな Het jonge loof heeft alles bedolven — behalve, alleen, de berg Fuji.