KANAE

De spreekwoorden

Het hele corpus, in de volgorde van het boek. Elk item opent op zijn woord-voor-woordlezing, zijn oorsprong en zijn karakters.

304 items

  1. 001 Zelfs een steen wordt warm als je er drie jaar op zit.
  2. 002 Val zeven keer, sta acht keer op.
  3. 003 Een reis van duizend mijl begint met één stap.
  4. 004 Volhouden is kracht.
  5. 005 Zelfs stof wordt een berg als het zich opstapelt.
  6. 006 De druppel holt uiteindelijk de steen uit.
  7. 007 Heb je haast, neem dan de omweg.
  8. 008 Wat goed is, doe het snel.
  9. 009 De beste dag om te beginnen is de dag waarop je eraan denkt.
  10. 010 Zelfs apen vallen uit bomen.
  11. 011 Zelfs uit bekwame handen lekt water.
  12. 012 Mislukking is de bron van succes.
  13. 013 Juist door iets lief te hebben word je er goed in.
  14. 014 Beter oefenen dan uit boeken leren.
  15. 015 Vergeet nooit de geest van de beginner.
  16. 016 Verwarm het oude om het nieuwe te kennen.
  17. 017 De kikker op de bodem van de put kent de grote oceaan niet.
  18. 018 Honderd keer horen weegt niet op tegen één keer zien.
  19. 019 Bewijs gaat boven betoog.
  20. 020 Liever knoedels dan bloemen.
  21. 021 Goudstukken aan een kat geven.
  22. 022 Klop op de stenen brug voor je hem oversteekt.
  23. 023 De stok vóór de val.
  24. 024 Wie voorbereid is, heeft niets te vrezen.
  25. 025 Voeg bij de voorzorg nog voorzorg.
  26. 026 Gemorst water keert niet terug in de schaal.
  27. 027 Spijt komt nooit vóór de daad.
  28. 028 De paal die uitsteekt, wordt teruggeslagen.
  29. 029 De bekwame valk verbergt zijn klauwen.
  30. 030 Hoe rijper de rijstaar, hoe dieper hij het hoofd buigt.
  31. 031 Verliezen is winnen.
  32. 032 Haast doet het werk mislukken.
  33. 033 Ongeduld is verlies.
  34. 034 Het geluk komt naar huizen waar gelachen wordt.
  35. 035 De kwaal komt uit het gemoed.
  36. 036 Soort zoekt soort.
  37. 037 Wie vermiljoen aanraakt, wordt rood.
  38. 038 Goedheid gaat nooit verloren.
  39. 039 Beter een goede buur dan een verre vriend.
  40. 040 Wie twee hazen jaagt, vangt er geen.
  41. 041 Het jong van een kikker is een kikker.
  42. 042 Uit een wouw kan een valk geboren worden.
  43. 043 De voet van de kandelaar blijft in de schaduw.
  44. 044 De dokter verwaarloost zijn eigen gezondheid.
  45. 045 De verver draagt een witte hakama.
  46. 046 Voor mochi ga je naar de mochimaker.
  47. 047 Een talent komt altijd nog van pas.
  48. 048 Zelfs wie denkt er geen te hebben, heeft zeven eigenaardigheden.
  49. 049 Tien mensen, tien kleuren.
  50. 050 Sommige insecten lusten zelfs de bittere duizendknoop.
  51. 051 Waar je woont, wordt de hoofdstad.
  52. 052 In het dorp, volg de gebruiken van het dorp.
  53. 053 Op reis een metgezel, in het leven welwillendheid.
  54. 054 Laat het kind dat je liefhebt op reis gaan.
  55. 055 Het kind kent het hart van zijn ouders niet.
  56. 056 Het kind is de kram van het gezin.
  57. 057 De ogen zeggen evenveel als de mond.
  58. 058 De mond is de bron van alle ellende.
  59. 059 Niet zeggen, dat is de bloem.
  60. 060 Het goede medicijn is bitter in de mond.
  61. 061 Kleren sieren zelfs de stalknecht.
  62. 062 Mensen zijn niet wat ze lijken.
  63. 063 Ook met lege maag houdt de samoerai zijn tandenstoker hoog.
  64. 064 Vroeg opstaan is drie stuivers winst.
  65. 065 Tijd is geld.
  66. 066 De tijd vliegt als een pijl.
  67. 067 De jaren wachten op niemand.
  68. 068 Eén leven, één ontmoeting.
  69. 069 Eén steen, twee vogels.
  70. 070 Elke dag één goede daad.
  71. 071 Morgen waait de wind van morgen.
  72. 072 Een rijstgebakje dat van de plank valt.
  73. 073 Een boot, net op het moment van oversteken.
  74. 074 Doen is makkelijker dan vrezen.
  75. 075 Honderd schaden, geen enkele baat.
  76. 076 Alles in het leven is als het paard van de oude man.
  77. 077 Na de regen wordt de grond vaster.
  78. 078 Wie kan wachten, ziet de zee mooi worden.
  79. 079 De hoogste dijk bezwijkt door een mierengat.
  80. 080 Grote vazen vragen tijd om te vormen.
  81. 081 Handel, en het zal geschieden; handel niet, en niets geschiedt — in alle dingen.
  82. 082 In mijn daden ken ik geen spijt.
  83. 083 Het zaad dat je niet zaait, komt niet op.
  84. 084 Na het gemak komt de moeite, na de moeite komt het gemak.
  85. 085 De krachtdrager onder de veranda.
  86. 086 Wat twee keer gebeurt, gebeurt ook een derde keer.
  87. 087 Derde keer, goede keer.
  88. 088 Vragen is een schande van een ogenblik, niet vragen een schande voor het leven.
  89. 089 Zie de manieren van anderen en verbeter de jouwe.
  90. 090 Knijp jezelf om de pijn van anderen te kennen.
  91. 091 Houdt de vis van het water, dan houdt het water van de vis.
  92. 092 Elkaar dragen, beurtelings.
  93. 093 Beter dan het schild van de schildpad: de verdienste van de jaren.
  94. 094 Het kind op je rug wijst de doorwaadbare plek.
  95. 095 Het stamperhandvat van vroeger.
  96. 096 Overal handig in, nergens rijk van.
  97. 097 Te kort voor een gordel, te lang voor een koord.
  98. 098 Met een garnaal een zeebrasem vangen.
  99. 099 Aanvaard te verliezen om daarna te winnen.
  100. 100 Goedkoop kopen is je geld verliezen.
  101. 101 Over de maan de wolken, over de bloesems de wind.
  102. 102 Sneeuw breekt de wilg niet.
  103. 103 Onder de wilg zit niet altijd een modderkruiper.
  104. 104 Een berg is niet edel omdat hij hoog is.
  105. 105 Als de wind waait, wordt de kuipenmaker rijk.
  106. 106 De herfstzon valt als een emmer in de put.
  107. 107 Nauwelijks het woord gezegd, koud zijn de lippen — herfstwind.
  108. 108 De dagen en maanden zijn de reizigers van honderd generaties.
  109. 109 De rivier stroomt zonder ophouden, en toch is het nooit hetzelfde water.
  110. 110 Sneeuw is een brief, gezonden uit de hemel.
  111. 111 Moet je de bloesems alleen in volle bloei bekijken, de maan alleen zonder wolk?
  112. 112 Eén duim vooruit, en het is duister.
  113. 113 Zelfs het insect van één duim heeft zijn trots van een halve duim.
  114. 114 Smeed het ijzer als het heet is.
  115. 115 De bloemen van de buurman zijn roder.
  116. 116 Weten wat genoeg is.
  117. 117 Staand een halve tatami, liggend een hele.
  118. 118 Een maag voor acht tienden gevuld heeft geen dokter nodig.
  119. 119 Te veel is als te weinig.
  120. 120 Eén ding zegt alle dingen.
  121. 121 Begin bij Kai.
  122. 122 Wie honderd mijl gaat, houdt negentig voor de helft.
  123. 123 Handel is als het kwijl van de os.
  124. 124 Zout sturen naar je vijand.
  125. 125 Na de overwinning, snoer de banden van je helm aan.
  126. 126 Eén blad valt, en men weet dat de herfst over de wereld komt.
  127. 127 Het grote omvat het kleine.
  128. 128 Een schat die je laat bederven.
  129. 129 Onhandig, maar bezield.
  130. 130 Handelen zonder het te zeggen.
  131. 131 Elkaar slijpen en polijsten.
  132. 132 Eén doel, heel het hart.
  133. 133 Je eerste voornemen tot het einde dragen.
  134. 134 Slapen op hout, gal proeven.
  135. 135 Ploegen bij zon, lezen bij regen.
  136. 136 Bloemen, vogels, wind, maan.
  137. 137 Heldere spiegel, stil water.
  138. 138 Voorbij de wolken, de blauwe hemel.
  139. 139 Met heel het hart, in alle oprechtheid.
  140. 140 Oprechte eenvoud, stille kracht.
  141. 141 De harmonie voor het kostbaarste houden.
  142. 142 Je hoofd verbergen en je achterste laten zien.
  143. 143 Oogdruppels toedienen vanaf de eerste verdieping.
  144. 144 Water op een gloeiende steen.
  145. 145 Een bij op een betraand gezicht.
  146. 146 In de wijde wereld wonen geen demonen.
  147. 147 Samengaan als ruiter en paard.
  148. 148 Vrienden van de bamboestelten.
  149. 149 Te veel schippers hijsen de boot de berg op.
  150. 150 Eén horen, tien begrijpen.
  151. 151 Er is geen koninklijke weg naar kennis.
  152. 152 Ongepolijste jade glanst niet.
  153. 153 De oude dwaas verzet de berg.
  154. 154 De moeite is het zaad van de vreugde.
  155. 155 De moeiten van de jeugd — koop ze desnoods.
  156. 156 Er zijn bergen, er zijn dalen.
  157. 157 Elke dag vooruit, elke maand een stap.
  158. 158 Roest komt uit de kling zelf.
  159. 159 Het plan voor het jaar wordt op nieuwjaarsochtend getekend.
  160. 160 Oude vijver — een kikker springt erin, geluid van water.
  161. 161 Wat een stilte — het lied van de cicaden dringt de rotsen binnen.
  162. 162 De junigenregens verzamelend stroomt snel de Mogami.
  163. 163 Magere kikker, geef je niet gewonnen — Issa is hier.
  164. 164 Musjes, opzij, opzij! Het paard komt voorbij.
  165. 165 Een winde heeft mijn putemmer gegrepen — ik vraag water bij de buren.
  166. 166 „Pak de maan voor mij!” huilt het kind.
  167. 167 Lentezee — heel de dag deint ze, deint ze zachtjes.
  168. 168 Koolzaadveld — de maan in het oosten, de zon in het westen.
  169. 169 De boot waarin je al bent gestapt.
  170. 170 Voorbij de keel is de brand vergeten.
  171. 171 Geen rook zonder vuur.
  172. 172 Slecht verworven geld blijft niet.
  173. 173 Eerlijkheid is de schat van een leven.
  174. 174 De leugen is het begin van de diefstal.
  175. 175 Bloesems duren zeven dagen.
  176. 176 Beter vijftig vandaag dan honderd morgen.
  177. 177 Zonder verre blik, nabije zorgen.
  178. 178 Het juiste zien en het niet doen, is gebrek aan moed.
  179. 179 De ware fout is je fout niet te herstellen.
  180. 180 Op duizend gedachten, één misslag.
  181. 181 Diepe herfst — mijn buurman, wat doet hij toch?
  182. 182 Wie het hol van de tijger niet binnengaat, krijgt haar welpen niet.
  183. 183 Stort je erop, al breek je.
  184. 184 Negen doden overleven voor één leven.
  185. 185 Tot leven wekken wat dood leek.
  186. 186 Een volledige omwenteling van het hart.
  187. 187 Terugkeren en het stof doen opwaaien.
  188. 188 Niet buigen, niet breken.
  189. 189 Een vastberaden wil doorboort zelfs de rots.
  190. 190 Helpt duwen niet, probeer dan te trekken.
  191. 191 In de impasse opent zich een doorgang.
  192. 192 Er bestaat geen regen die niet ophoudt.
  193. 193 Weten terug te trekken is winnen.
  194. 194 Van de zesendertig krijgslisten is de terugtocht de beste.
  195. 195 Zelfs de hond die uitloopt, komt iets tegen.
  196. 196 Slakje, beklim, heel zachtjes, de berg Fuji.
  197. 197 Het kleine opstapelen maakt het grote.
  198. 198 Duizend dagen oefening smeden; tienduizend dagen polijsten.
  199. 199 Licht denken over jezelf, diep denken over de wereld.
  200. 200 Het leven van een mens is een lange weg, afgelegd met een last; haasten dient tot niets.
  201. 201 De mensen zijn het kasteel, de mensen zijn de muren, de mensen zijn de grachten.
  202. 202 Kalm en zichzelf gelijk, wat er ook gebeurt.
  203. 203 Op eigen benen, met eigen tred.
  204. 204 De echo van de donder volgen zonder eigen mening.
  205. 205 Water op de snuit van een kikker.
  206. 206 Een gerucht leeft maar vijfenzeventig dagen.
  207. 207 De uitkomst van een duel hangt ook van het uur af.
  208. 208 Het water laten meenemen.
  209. 209 Zomergras — van de dromen der krijgers, ziedaar wat rest.
  210. 210 Ziek op reis — mijn dromen dolen nog over de dorre vlakte.
  211. 211 Volle maan — heel de nacht liep ik rond de vijver.
  212. 212 Bergpad — een ik-weet-niet-wat ontroerends: een viooltje.
  213. 213 Woeste zee — uitgestrekt over het eiland Sado, de Melkweg.
  214. 214 Geur van pruimenbloesem — en plots rijst de zon boven het bergpad.
  215. 215 De lente vertrekt — vogels schreeuwen, er staan tranen in het oog van de vissen.
  216. 216 Op de dode tak is een kraai neergestreken — herfstavond.
  217. 217 Eerste koude regen — ook de aap zou graag een strooien manteltje willen.
  218. 218 Hoeveel wolkentoppen zijn ingestort — en zie, de berg onder de maan.
  219. 219 Deze weg — niemand anders die hem gaat. Herfstavond.
  220. 220 De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
  221. 221 Een geluk, heel middelmatig, welbeschouwd — mijn eigen nieuwjaar.
  222. 222 Kom met mij spelen, musje zonder ouders.
  223. 223 Sla haar niet! De vlieg wringt haar handjes, wringt haar pootjes.
  224. 224 Wat ziet ze er lekker uit, de vallende sneeuw — vlokkig, donzig.
  225. 225 Junigenregens — tegenover de gezwollen rivier, twee huizen.
  226. 226 Wat een geluk, de zomerrivier over te steken, sandalen in de hand!
  227. 227 Een winde — een enkele bloem, blauw als een diepe kolk.
  228. 228 Het jonge loof heeft alles bedolven — behalve, alleen, de berg Fuji.
  229. 229 Op de grote klok neergestreken slaapt een vlinder.
  230. 230 Telkens en telkens weer vraag ik: de sneeuw, hoe hoog ligt hij nu?
  231. 231 Hanenkammen — het moeten er wel veertien of vijftien zijn.
  232. 232 Lente — eertijds een fiere stad aan de kasteelvoet, honderdvijftigduizend koku.
  233. 233 Zomerstorm — alle witte vellen van het bureau weggewaaid.
  234. 234 Hoe diep ik ook doordring, steeds dieper doordring — blauwe bergen.
  235. 235 Het moment beantwoorden zoals het komt.
  236. 236 Het goede hout op de goede plaats.
  237. 237 Eén ontmoeting in duizend jaar.
  238. 238 De schoonheid van een voltooid einde.
  239. 239 Alleen binnengaan, sabel getrokken, recht op het doel af.
  240. 240 Het water naar je eigen rijstveld leiden.
  241. 241 De tak voor de wortel houden.
  242. 242 Zelf de lof schrijven van je eigen schilderij.
  243. 243 Vijanden van Wu en Yue in dezelfde boot.
  244. 244 Argwaan bevolkt de schaduw met spoken.
  245. 245 Verdwaald in vijf mijl mist.
  246. 246 Drakenkop, slangenstaart.
  247. 247 De pupil van de draak schilderen.
  248. 248 Poten aan de slang.
  249. 249 De lans en het schild.
  250. 250 Drie 's ochtends, vier 's avonds.
  251. 251 Je botten vermalen, je lichaam verbrijzelen.
  252. 252 De pen en de sabel, de twee wegen.
  253. 253 Twee mensen, drie benen.
  254. 254 Uit één draad, van kop tot staart.
  255. 255 Je eigen miso prijzen.
  256. 256 Zelfs de poten van de kat zou je willen lenen.
  257. 257 De maan en de moerasschildpad.
  258. 258 Als enige winst voor de moeite: de vermoeidheid.
  259. 259 Het touw vlechten nadat de dief gevangen is.
  260. 260 Water over een rechtopstaande plank.
  261. 261 Lentewind aan de oren van het paard.
  262. 262 De bloem op de hoge top.
  263. 263 Wat je niet hebt gezien, is de bloem.
  264. 264 Elkaar ontmoeten is beginnen afscheid te nemen.
  265. 265 Waar het onrecht doorgang vindt, trekt de rede zich terug.
  266. 266 Tegen een huilend kind en een plaatselijke heer wint niemand.
  267. 267 In wat overblijft, schuilt geluk.
  268. 268 Een lege maag voert geen oorlog.
  269. 269 Je zou de bloem willen plukken, maar de tak is hoog.
  270. 270 De ogen zijn de spiegel van het hart.
  271. 271 De naam onthult het wezen.
  272. 272 Kalligrafie leren op je zestigste.
  273. 273 De wereld lijkt groot, en ze is klein.
  274. 274 Morgen ben ik het misschien.
  275. 275 Laat je omwikkelen door wat langer is dan jij.
  276. 276 Iris van de zesde, chrysant van de tiende: één dag te laat.
  277. 277 De lach is het medicijn van de mensen.
  278. 278 Verjaag eerst de vliegen boven je eigen hoofd.
  279. 279 Vaardig met de tong, vaardig met de handen.
  280. 280 Lezen, schrijven, rekenen.
  281. 281 De sneeuw, de maan, de bloesems.
  282. 282 Monnik van drie dagen.
  283. 283 Leren zonder nadenken leidt slechts tot duisternis.
  284. 284 Doe een ander niet aan wat je voor jezelf niet zou willen.
  285. 285 Acht een duim tijd niet gering.
  286. 286 In de lente is het de dageraad.
  287. 287 Laat een huis met het oog op de zomer worden gebouwd.
  288. 288 Zelfs voor een kleine zaak is een gids wenselijk.
  289. 289 Het schuim dat op het stille water drijft, lost hier op, vormt zich daar opnieuw, en blijft nooit lang.
  290. 290 De Japanse poëzie heeft het mensenhart als zaad, waaruit myriaden bladeren van woorden groeien.
  291. 291 De kleur van de bloesems is vergaan, terwijl ik de lange regens zag vallen — en mijn leven voorbijgaan.
  292. 292 Uitkomend op de baai van Tago zie ik: op de hoge top van de Fuji, wit, de sneeuw die nog valt.
  293. 293 In de wachthut van de herfstrijstvelden, met zijn te losse dak van riet, worden mijn mouwen nat van de dauw.
  294. 294 Te veel verstand stoot. Te veel gevoel sleurt mee. Te veel wil knelt. Waarlijk, de mensenwereld is moeilijk bewoonbaar.
  295. 295 Niet wijkend voor de regen, niet wijkend voor de wind.
  296. 296 Een huis dat niet lekt, maaltijden die de honger stillen: dat volstaat.
  297. 297 Geheim gehouden wordt het de bloem.
  298. 298 De hemel schept geen mens boven de mensen, en geen mens eronder.
  299. 299 Het land is verwoest; de bergen en rivieren blijven.
  300. 300 Vergeet de bloem van je begin niet.
  301. 301 Ik ken slechts het genoeg.
  302. 302 Eén stap per dag: in drie dagen, drie stappen.
  303. 303 Wachten tot het rijpt, hoort ook bij de leerschool.
  304. 304 Bloei waar je gezaaid bent.