KANAE

Haiku

38 items

  1. 107 Nauwelijks het woord gezegd, koud zijn de lippen — herfstwind.
  2. 160 Oude vijver — een kikker springt erin, geluid van water.
  3. 161 Wat een stilte — het lied van de cicaden dringt de rotsen binnen.
  4. 162 De junigenregens verzamelend stroomt snel de Mogami.
  5. 163 Magere kikker, geef je niet gewonnen — Issa is hier.
  6. 164 Musjes, opzij, opzij! Het paard komt voorbij.
  7. 165 Een winde heeft mijn putemmer gegrepen — ik vraag water bij de buren.
  8. 166 „Pak de maan voor mij!” huilt het kind.
  9. 167 Lentezee — heel de dag deint ze, deint ze zachtjes.
  10. 168 Koolzaadveld — de maan in het oosten, de zon in het westen.
  11. 181 Diepe herfst — mijn buurman, wat doet hij toch?
  12. 196 Slakje, beklim, heel zachtjes, de berg Fuji.
  13. 209 Zomergras — van de dromen der krijgers, ziedaar wat rest.
  14. 210 Ziek op reis — mijn dromen dolen nog over de dorre vlakte.
  15. 211 Volle maan — heel de nacht liep ik rond de vijver.
  16. 212 Bergpad — een ik-weet-niet-wat ontroerends: een viooltje.
  17. 213 Woeste zee — uitgestrekt over het eiland Sado, de Melkweg.
  18. 214 Geur van pruimenbloesem — en plots rijst de zon boven het bergpad.
  19. 215 De lente vertrekt — vogels schreeuwen, er staan tranen in het oog van de vissen.
  20. 216 Op de dode tak is een kraai neergestreken — herfstavond.
  21. 217 Eerste koude regen — ook de aap zou graag een strooien manteltje willen.
  22. 218 Hoeveel wolkentoppen zijn ingestort — en zie, de berg onder de maan.
  23. 219 Deze weg — niemand anders die hem gaat. Herfstavond.
  24. 220 De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
  25. 221 Een geluk, heel middelmatig, welbeschouwd — mijn eigen nieuwjaar.
  26. 222 Kom met mij spelen, musje zonder ouders.
  27. 223 Sla haar niet! De vlieg wringt haar handjes, wringt haar pootjes.
  28. 224 Wat ziet ze er lekker uit, de vallende sneeuw — vlokkig, donzig.
  29. 225 Junigenregens — tegenover de gezwollen rivier, twee huizen.
  30. 226 Wat een geluk, de zomerrivier over te steken, sandalen in de hand!
  31. 227 Een winde — een enkele bloem, blauw als een diepe kolk.
  32. 228 Het jonge loof heeft alles bedolven — behalve, alleen, de berg Fuji.
  33. 229 Op de grote klok neergestreken slaapt een vlinder.
  34. 230 Telkens en telkens weer vraag ik: de sneeuw, hoe hoog ligt hij nu?
  35. 231 Hanenkammen — het moeten er wel veertien of vijftien zijn.
  36. 232 Lente — eertijds een fiere stad aan de kasteelvoet, honderdvijftigduizend koku.
  37. 233 Zomerstorm — alle witte vellen van het bureau weggewaaid.
  38. 234 Hoe diep ik ook doordring, steeds dieper doordring — blauwe bergen.