KANAE

Banden

60 items

  1. 028 De paal die uitsteekt, wordt teruggeslagen.
  2. 034 Het geluk komt naar huizen waar gelachen wordt.
  3. 036 Soort zoekt soort.
  4. 037 Wie vermiljoen aanraakt, wordt rood.
  5. 038 Goedheid gaat nooit verloren.
  6. 039 Beter een goede buur dan een verre vriend.
  7. 041 Het jong van een kikker is een kikker.
  8. 049 Tien mensen, tien kleuren.
  9. 050 Sommige insecten lusten zelfs de bittere duizendknoop.
  10. 052 In het dorp, volg de gebruiken van het dorp.
  11. 053 Op reis een metgezel, in het leven welwillendheid.
  12. 054 Laat het kind dat je liefhebt op reis gaan.
  13. 055 Het kind kent het hart van zijn ouders niet.
  14. 056 Het kind is de kram van het gezin.
  15. 057 De ogen zeggen evenveel als de mond.
  16. 058 De mond is de bron van alle ellende.
  17. 059 Niet zeggen, dat is de bloem.
  18. 060 Het goede medicijn is bitter in de mond.
  19. 062 Mensen zijn niet wat ze lijken.
  20. 068 Eén leven, één ontmoeting.
  21. 077 Na de regen wordt de grond vaster.
  22. 090 Knijp jezelf om de pijn van anderen te kennen.
  23. 091 Houdt de vis van het water, dan houdt het water van de vis.
  24. 092 Elkaar dragen, beurtelings.
  25. 099 Aanvaard te verliezen om daarna te winnen.
  26. 107 Nauwelijks het woord gezegd, koud zijn de lippen — herfstwind.
  27. 113 Zelfs het insect van één duim heeft zijn trots van een halve duim.
  28. 124 Zout sturen naar je vijand.
  29. 131 Elkaar slijpen en polijsten.
  30. 139 Met heel het hart, in alle oprechtheid.
  31. 141 De harmonie voor het kostbaarste houden.
  32. 146 In de wijde wereld wonen geen demonen.
  33. 147 Samengaan als ruiter en paard.
  34. 148 Vrienden van de bamboestelten.
  35. 149 Te veel schippers hijsen de boot de berg op.
  36. 164 Musjes, opzij, opzij! Het paard komt voorbij.
  37. 165 Een winde heeft mijn putemmer gegrepen — ik vraag water bij de buren.
  38. 166 „Pak de maan voor mij!” huilt het kind.
  39. 173 Eerlijkheid is de schat van een leven.
  40. 181 Diepe herfst — mijn buurman, wat doet hij toch?
  41. 201 De mensen zijn het kasteel, de mensen zijn de muren, de mensen zijn de grachten.
  42. 208 Het water laten meenemen.
  43. 215 De lente vertrekt — vogels schreeuwen, er staan tranen in het oog van de vissen.
  44. 217 Eerste koude regen — ook de aap zou graag een strooien manteltje willen.
  45. 222 Kom met mij spelen, musje zonder ouders.
  46. 223 Sla haar niet! De vlieg wringt haar handjes, wringt haar pootjes.
  47. 236 Het goede hout op de goede plaats.
  48. 239 Alleen binnengaan, sabel getrokken, recht op het doel af.
  49. 243 Vijanden van Wu en Yue in dezelfde boot.
  50. 244 Argwaan bevolkt de schaduw met spoken.
  51. 253 Twee mensen, drie benen.
  52. 260 Water over een rechtopstaande plank.
  53. 261 Lentewind aan de oren van het paard.
  54. 264 Elkaar ontmoeten is beginnen afscheid te nemen.
  55. 270 De ogen zijn de spiegel van het hart.
  56. 273 De wereld lijkt groot, en ze is klein.
  57. 274 Morgen ben ik het misschien.
  58. 277 De lach is het medicijn van de mensen.
  59. 284 Doe een ander niet aan wat je voor jezelf niet zou willen.
  60. 298 De hemel schept geen mens boven de mensen, en geen mens eronder.