KANAE

Leven

95 items

  1. 020 Liever knoedels dan bloemen.
  2. 021 Goudstukken aan een kat geven.
  3. 026 Gemorst water keert niet terug in de schaal.
  4. 027 Spijt komt nooit vóór de daad.
  5. 028 De paal die uitsteekt, wordt teruggeslagen.
  6. 034 Het geluk komt naar huizen waar gelachen wordt.
  7. 035 De kwaal komt uit het gemoed.
  8. 041 Het jong van een kikker is een kikker.
  9. 042 Uit een wouw kan een valk geboren worden.
  10. 043 De voet van de kandelaar blijft in de schaduw.
  11. 044 De dokter verwaarloost zijn eigen gezondheid.
  12. 045 De verver draagt een witte hakama.
  13. 048 Zelfs wie denkt er geen te hebben, heeft zeven eigenaardigheden.
  14. 049 Tien mensen, tien kleuren.
  15. 050 Sommige insecten lusten zelfs de bittere duizendknoop.
  16. 051 Waar je woont, wordt de hoofdstad.
  17. 053 Op reis een metgezel, in het leven welwillendheid.
  18. 059 Niet zeggen, dat is de bloem.
  19. 061 Kleren sieren zelfs de stalknecht.
  20. 062 Mensen zijn niet wat ze lijken.
  21. 064 Vroeg opstaan is drie stuivers winst.
  22. 069 Eén steen, twee vogels.
  23. 070 Elke dag één goede daad.
  24. 072 Een rijstgebakje dat van de plank valt.
  25. 073 Een boot, net op het moment van oversteken.
  26. 075 Honderd schaden, geen enkele baat.
  27. 084 Na het gemak komt de moeite, na de moeite komt het gemak.
  28. 086 Wat twee keer gebeurt, gebeurt ook een derde keer.
  29. 097 Te kort voor een gordel, te lang voor een koord.
  30. 098 Met een garnaal een zeebrasem vangen.
  31. 100 Goedkoop kopen is je geld verliezen.
  32. 103 Onder de wilg zit niet altijd een modderkruiper.
  33. 105 Als de wind waait, wordt de kuipenmaker rijk.
  34. 111 Moet je de bloesems alleen in volle bloei bekijken, de maan alleen zonder wolk?
  35. 112 Eén duim vooruit, en het is duister.
  36. 115 De bloemen van de buurman zijn roder.
  37. 116 Weten wat genoeg is.
  38. 117 Staand een halve tatami, liggend een hele.
  39. 118 Een maag voor acht tienden gevuld heeft geen dokter nodig.
  40. 119 Te veel is als te weinig.
  41. 127 Het grote omvat het kleine.
  42. 128 Een schat die je laat bederven.
  43. 129 Onhandig, maar bezield.
  44. 135 Ploegen bij zon, lezen bij regen.
  45. 140 Oprechte eenvoud, stille kracht.
  46. 142 Je hoofd verbergen en je achterste laten zien.
  47. 143 Oogdruppels toedienen vanaf de eerste verdieping.
  48. 144 Water op een gloeiende steen.
  49. 145 Een bij op een betraand gezicht.
  50. 146 In de wijde wereld wonen geen demonen.
  51. 154 De moeite is het zaad van de vreugde.
  52. 156 Er zijn bergen, er zijn dalen.
  53. 158 Roest komt uit de kling zelf.
  54. 166 „Pak de maan voor mij!” huilt het kind.
  55. 170 Voorbij de keel is de brand vergeten.
  56. 171 Geen rook zonder vuur.
  57. 172 Slecht verworven geld blijft niet.
  58. 173 Eerlijkheid is de schat van een leven.
  59. 174 De leugen is het begin van de diefstal.
  60. 176 Beter vijftig vandaag dan honderd morgen.
  61. 195 Zelfs de hond die uitloopt, komt iets tegen.
  62. 200 Het leven van een mens is een lange weg, afgelegd met een last; haasten dient tot niets.
  63. 210 Ziek op reis — mijn dromen dolen nog over de dorre vlakte.
  64. 219 Deze weg — niemand anders die hem gaat. Herfstavond.
  65. 220 De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
  66. 221 Een geluk, heel middelmatig, welbeschouwd — mijn eigen nieuwjaar.
  67. 222 Kom met mij spelen, musje zonder ouders.
  68. 224 Wat ziet ze er lekker uit, de vallende sneeuw — vlokkig, donzig.
  69. 226 Wat een geluk, de zomerrivier over te steken, sandalen in de hand!
  70. 229 Op de grote klok neergestreken slaapt een vlinder.
  71. 230 Telkens en telkens weer vraag ik: de sneeuw, hoe hoog ligt hij nu?
  72. 231 Hanenkammen — het moeten er wel veertien of vijftien zijn.
  73. 244 Argwaan bevolkt de schaduw met spoken.
  74. 245 Verdwaald in vijf mijl mist.
  75. 250 Drie 's ochtends, vier 's avonds.
  76. 255 Je eigen miso prijzen.
  77. 256 Zelfs de poten van de kat zou je willen lenen.
  78. 257 De maan en de moerasschildpad.
  79. 258 Als enige winst voor de moeite: de vermoeidheid.
  80. 262 De bloem op de hoge top.
  81. 263 Wat je niet hebt gezien, is de bloem.
  82. 265 Waar het onrecht doorgang vindt, trekt de rede zich terug.
  83. 266 Tegen een huilend kind en een plaatselijke heer wint niemand.
  84. 267 In wat overblijft, schuilt geluk.
  85. 268 Een lege maag voert geen oorlog.
  86. 269 Je zou de bloem willen plukken, maar de tak is hoog.
  87. 271 De naam onthult het wezen.
  88. 273 De wereld lijkt groot, en ze is klein.
  89. 275 Laat je omwikkelen door wat langer is dan jij.
  90. 290 De Japanse poëzie heeft het mensenhart als zaad, waaruit myriaden bladeren van woorden groeien.
  91. 291 De kleur van de bloesems is vergaan, terwijl ik de lange regens zag vallen — en mijn leven voorbijgaan.
  92. 294 Te veel verstand stoot. Te veel gevoel sleurt mee. Te veel wil knelt. Waarlijk, de mensenwereld is moeilijk bewoonbaar.
  93. 296 Een huis dat niet lekt, maaltijden die de honger stillen: dat volstaat.
  94. 301 Ik ken slechts het genoeg.
  95. 304 Bloei waar je gezaaid bent.