然
Natuur
Per vorm Alle SpreekwoordenVier tekensOnvertaalbare woordenVerhalen achter uitdrukkingenHaiku · Per thema GeduldVolhardingWerkDisciplineBandenMoedNederigheidLerenLevenVallen & opstaanNatuurTijd ·
- 030 実るほど頭を垂れる稲穂かな Hoe rijper de rijstaar, hoe dieper hij het hoofd buigt.
- 101 月に叢雲、花に風 Over de maan de wolken, over de bloesems de wind.
- 102 柳に雪折れなし Sneeuw breekt de wilg niet.
- 104 山高きが故に貴からず Een berg is niet edel omdat hij hoog is.
- 106 秋の日は釣瓶落とし De herfstzon valt als een emmer in de put.
- 109 ゆく河の流れは絶えずして、しかももとの水にあらず De rivier stroomt zonder ophouden, en toch is het nooit hetzelfde water.
- 110 雪は天から送られた手紙である Sneeuw is een brief, gezonden uit de hemel.
- 111 花は盛りに、月は隈なきをのみ見るものかは Moet je de bloesems alleen in volle bloei bekijken, de maan alleen zonder wolk?
- 126 一葉落ちて天下の秋を知る Eén blad valt, en men weet dat de herfst over de wereld komt.
- 135 晴耕雨読 Ploegen bij zon, lezen bij regen.
- 136 花鳥風月 Bloemen, vogels, wind, maan.
- 160 古池や蛙飛び込む水の音 Oude vijver — een kikker springt erin, geluid van water.
- 161 閑さや岩にしみ入る蝉の声 Wat een stilte — het lied van de cicaden dringt de rotsen binnen.
- 162 五月雨をあつめて早し最上川 De junigenregens verzamelend stroomt snel de Mogami.
- 164 雀の子そこのけそこのけお馬が通る Musjes, opzij, opzij! Het paard komt voorbij.
- 165 朝顔に釣瓶とられてもらい水 Een winde heeft mijn putemmer gegrepen — ik vraag water bij de buren.
- 167 春の海ひねもすのたりのたりかな Lentezee — heel de dag deint ze, deint ze zachtjes.
- 168 菜の花や月は東に日は西に Koolzaadveld — de maan in het oosten, de zon in het westen.
- 175 花七日 Bloesems duren zeven dagen.
- 181 秋深き隣は何をする人ぞ Diepe herfst — mijn buurman, wat doet hij toch?
- 209 夏草や兵どもが夢の跡 Zomergras — van de dromen der krijgers, ziedaar wat rest.
- 211 名月や池をめぐりて夜もすがら Volle maan — heel de nacht liep ik rond de vijver.
- 212 山路来て何やらゆかしすみれ草 Bergpad — een ik-weet-niet-wat ontroerends: een viooltje.
- 213 荒海や佐渡によこたふ天河 Woeste zee — uitgestrekt over het eiland Sado, de Melkweg.
- 214 梅が香にのつと日の出る山路かな Geur van pruimenbloesem — en plots rijst de zon boven het bergpad.
- 216 枯朶に烏のとまりけり秋の暮 Op de dode tak is een kraai neergestreken — herfstavond.
- 217 初しぐれ猿も小蓑をほしげ也 Eerste koude regen — ook de aap zou graag een strooien manteltje willen.
- 218 雲の峰幾つ崩れて月の山 Hoeveel wolkentoppen zijn ingestort — en zie, de berg onder de maan.
- 220 雪とけて村いっぱいの子どもかな De sneeuw is gesmolten — het dorp stroomt vol kinderen.
- 224 うまさうな雪がふうはりふはりかな Wat ziet ze er lekker uit, de vallende sneeuw — vlokkig, donzig.
- 225 五月雨や大河を前に家二軒 Junigenregens — tegenover de gezwollen rivier, twee huizen.
- 227 朝顔や一輪深き淵の色 Een winde — een enkele bloem, blauw als een diepe kolk.
- 228 不二ひとつうづみ残して若葉かな Het jonge loof heeft alles bedolven — behalve, alleen, de berg Fuji.
- 231 鶏頭の十四五本もありぬべし Hanenkammen — het moeten er wel veertien of vijftien zijn.
- 233 夏嵐机上の白紙飛び尽す Zomerstorm — alle witte vellen van het bureau weggewaaid.
- 234 分け入っても分け入っても青い山 Hoe diep ik ook doordring, steeds dieper doordring — blauwe bergen.
- 281 雪月花 De sneeuw, de maan, de bloesems.
- 286 春はあけぼの In de lente is het de dageraad.
- 292 田子の浦にうち出でて見れば白妙の富士の高嶺に雪は降りつつ Uitkomend op de baai van Tago zie ik: op de hoge top van de Fuji, wit, de sneeuw die nog valt.
- 299 国破れて山河あり Het land is verwoest; de bergen en rivieren blijven.